Mensentaal, en de kunst om daarmee betekenisvol te communiceren, is een van de meest existentiële uitingen van ons mens-zijn. Het bepaalt het verhaal van wie we zijn, wat we doen, delen en weten. Zonder taal is er geen betekenis- of kennisoverdracht, geen structuur, overzicht of inzicht. Je zou je terecht kunnen afvragen of de Homo Sapiens had kunnen overleven zonder communicatie.

Taal is zo geworteld in ons dagelijkse bestaan, dat we nauwelijks beseffen hoezeer het ons functioneren beïnvloedt. Een eeuw geleden al zeiden de antropologen Edward Sapir en Benjamin Lee Whorf dat de waarneming en voorstelling van de werkelijkheid afhangt van taal, en dat de mens zijn dagelijkse realiteit organiseert door middel van taal. Dit wordt linguïstische relativiteit genoemd: de manier waarop we denken, de wereld waarnemen en gebeurtenissen classificeren, wordt in meer of mindere mate bepaald of beïnvloed door de taal die we spreken. In zijn latere werk schreef ook de filosoof Ludwig Wittgenstein hierover: ‘De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’. Hoewel veel filosofen het werk van Sapir en Whorf uiteindelijk aan de kant schoven omdat we immers ook in staat zijn om in de vorm van beelden zaken te herinneren en herkennen waarvan we het woord niet kennen, zoals de zoete smaak van een voor ons onbekende vrucht, zegt assistent-professor in de Cognitieve Wetenschappen Lera Boroditsky van de Stanford Universiteit enkele decennia later: ‘…wanneer je een nieuwe taal leert, leer je niet simpelweg een nieuwe manier van praten, maar ongewild ook een nieuwe manier van denken.’ Boroditsky kwam tot deze uitspraak na grootschalig onderzoek naar de manier waarop taal onze gedachten vormgeeft. Haar onderzoeksresultaten laten zien dat linguïstische processen tot de meest fundamentele domeinen van onze gedachten zijn doorgedrongen en ons onbewust vormen tot wie we zijn, van onze meest basale cognitieve vaardigheden en onze perceptie, tot abstracte redenaties en grote levensbeslissingen. Volgens Boroditsky staat taal centraal in onze ervaring van het mens-zijn, en de taal die we spreken bepaalt grotendeels hoe we denken, hoe we de wereld zien, en hoe we ons leven leven. Een interessant voorbeeld daarvan is de wezenlijk andere manier waarop de Aboriginal gemeenschap Pormpuraaw in het noorden van Australië over ruimte spreekt dan dat wij dat doen. In plaats van woorden als ‘rechts’, ‘links’, ‘vooruit’ en ‘achteruit’, gebruiken ze in hun eigen taal Kuuk Thaayorre alleen ‘noord’, ‘zuid’, ‘oost’ en ‘west’ voor de bepaling van plaats. Zo zeggen ze bijvoorbeeld ‘er zit een mier op je zuidoostelijke been’ of ‘verschuif de beker in noord-noordwestelijke richting.’ Een belangrijke consequentie van deze manier van ruimtebeleving is dat je te allen tijde moet weten waar je je op dat moment bevindt, anders kun je je niet op een correcte, begrijpelijke manier uitdrukken. In Kuuk Thaayorre is het dan ook heel gebruikelijk om iemand te groeten met ‘Waar ga je naartoe?’ in plaats van met ‘Hoe gaat het met je?’ Je kunt je voorstellen dat je zonder oriëntatievermogen in Kuuk Thaayorre niet verder komt dan ‘Hallo’.

Het resultaat van deze andere oriëntatiewijze is een aanzienlijk verschil tussen mensen die een taal spreken waarin gebruik wordt gemaakt van relatieve referentiekaders (afhankelijk van de relatieve positie van degene die spreekt, zoals in Europese talen als Engels of Nederlands) of absolute referentiekaders (uitgaand van gemeenschappelijke, vaststaande ankerpunten zoals in Kuuk Thaayorre). De tweede groep blijkt daardoor veel beter in staat zich in alle omstandigheden, zelfs in een onbekende omgeving, te oriënteren dan de eerste. Meer informatie daarover vind je hier.

In een ander interessant onderzoek onderzocht de econoom Keith Chen (2012) de invloed van de taal die we spreken op onze houding en ons gedrag. In landen waar de moedertaal geen grammaticaal onderscheid tussen heden en toekomst kent (bijvoorbeeld Chinees of Fins), bleken de sprekers ervan dertig procent meer kans hebben om succesvol te sparen en minder impulsief te zijn. De sprekers van talen waarin dit grammaticale onderscheid wel wordt gemaakt (zoals Engels of Nederlands) streven sneller naar genot en geluk op korte termijn, doordat door een dergelijk grammaticaal onderscheid tussen nu en straks ook een scheidslijn wordt aangebracht tussen het huidige zelf en het toekomstige zelf.

Volgen
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *