Hoe creëer je eigenlijk je persoonlijke verhaal?


Vraag jij je wel eens af waar je gedachten vandaan komen? Waarschijnlijk niet of nauwelijks – en dat is maar goed ook, want anders zou je knettergek worden.

Niemand weet hoeveel gedachten een mens gemiddeld per dag produceert. Schattingen variëren van 15.000 tot 120.000+ per dag, maar dat is nooit daadwerkelijk gemeten. Waarschijnlijk ook omdat niet duidelijk is wat je dan precies moet meten; neuronen die in je brein heen en weer schieten? Een idee dat je bewust onder woorden hebt gebracht? Of dat knagende gevoel waarvan je je vaag bewust bent maar wat je niet onder woorden kunt brengen?

Aan het typen van deze woorden gaat bijvoorbeeld al een heel gedachtenproces vooraf. Ik formuleer de woorden die ik wil schrijven in mijn hoofd, denk tegelijkertijd na over de schrijfwijze ervan, en bemerk dat ik mijn thee koud heb laten worden op het moment dat ik me realiseer dat het alweer één uur is. Dat zijn in luttele seconden slechts enkele gedachten, maar er er zijn nog heel veel meer, bewust en onbewust, die ik hier niet heb verwoord.

We denken in verschillende gedachtenlagen die zelfs gelijktijdig in je op kunnen komen. Een gedachte kan zomaar vanuit je onderbewuste verschijnen (‘Goh, hoe laat zou het zijn?’), of voortkomen uit diverse bewuste gedachten, zoals wanneer de ene gedachte tot de andere leidt (‘Ah, het is vier uur…. Wat deed ik gisteren om deze tijd ook al weer?’). Een gedachte kan ook worden opgeroepen door zintuiglijke waarneming, zoals een beeld, een fysieke sensatie, smaak, geur of geluid, bijvoorbeeld wanneer een bepaalde geur je doet denken aan de prachtige stokrozen die elk jaar bloeiden in de tuin van je oma. Dit illustreert meteen dat gedachten niet op zichzelf staan: ze zijn altijd gekoppeld aan iets in je geheugen – verschillende ervaringen uit het verleden die je in je brein hebt opgeslagen en waarmee je iets wat er nu gebeurt associeert. Zonder die associaties heb je geen flauw idee wat er gaande is. Wanneer een auto je op straat passeert zonder dat je daar bepaalde associaties bij hebt, dan herken je de specifieke vormen, het motorgeluid en het bijpassende woord ‘auto’ niet als zodanig en zul je je niet realiseren wat daar zojuist voorbij is gekomen.

Als baby maak je al handig gebruik van associaties door wat je waarneemt steeds te toetsen aan je opgeslagen ervaringen. Bijvoorbeeld wanneer je de stem van je ouders herkent, of wanneer je hebt uitgevonden dat je ouders meteen toe komen snellen op het moment dat je begint te huilen. Je maakt dus steeds gebruik van ‘zie je wel’-constructies of associaties: zodra je iets wat je al in je geheugen hebt opgeslagen herkent, dan bevestig je – vaak onbewust – aan jezelf dat het klopt wat je in je hoofd hebt. Dat is handig, want zo hoef je niet elke minuut van de dag opnieuw het wiel uit te vinden. Je dagelijkse taken worden daarmee een stuk gemakkelijker. Zo hoef je niet meer na te denken over hoe je je tanden poetst, de tv aan zet of wat een zonnebril is, dat heb je in het verleden al meerdere keren ervaren en dat zijn allemaal ‘zie je wel’-constructies geworden waarmee je nieuwe ervaringen die er op lijken associeert.

Hoe ouder je wordt, hoe omvangrijker en complexer de database met herinneringen in je hoofd wordt. Die herinneringen mogen dan wel in je hoofd opgeslagen zijn, maar als archivaris doe je je werk eerlijk gezegd nogal slordig:  tijdens het archiveren verdwijnt er nogal eens wat informatie. Details van je ervaring bijvoorbeeld. Of je kunt je sommige details juist extra goed herinneren waardoor de ervaring achteraf anders voelt dan op het moment dat je het beleeft. Of je associeert je ervaring met een herinnering die er wel op lijkt maar die niet precies overeenkomt, waardoor je die ervaring in de verkeerde archiefmap stopt. Je bent ook goed in het verzinnen van extra informatie of in het verdraaien van wat er gebeurd is, zoals bijvoorbeeld wanneer je een fout hebt gemaakt. Je bent in staat je fout zo verdraaien en verfraaien dat je er uiteindelijk zelf van overtuigd raakt dat het je collega was die die fout heeft gemaakt. Psychologen noemen dit cognitieve dissonantie. Bekend is natuurlijk ook de roze bril: wanneer je verliefd bent zie je de minder aantrekkelijke eigenschappen van je nieuwe liefde volledig door de vingers.

Hoe je het voor elkaar krijgt is voor wetenschappers nog steeds een groot mysterie, maar toch ben je in staat om onvolledige, gekleurde herinneringen te combineren tot een begrijpelijk en samenhangend beeld van wat er in en om je heen gebeurt. Dat doet je op je eigen, unieke manier: jouw beeld van de werkelijkheid is afhankelijk van de persoonlijke ervaringen die je hebt opgedaan in je leven, hoe je die hebt opgeslagen, en de manier waarop en de mate waarin je toegang hebt tot je archief.  Per definitie ziet jouw realiteit er dus heel anders uit dan die van mij.

Het wordt pas echt interessant wanneer je gaat proberen dat wat je denkt, voelt en waarneemt onder woorden te brengen. We leren als kind allemaal dezelfde woorden in dezelfde taal, zodat we met elkaar een betekenisvol gesprek kunnen voeren. We hebben er woordenboeken voor nodig om de betekenis van elk woord vast te leggen, zodat we zo goed als zeker weten dat we het over hetzelfde hebben. In grote lijnen is dat ook zo, maar met dank aan onze herinneringen associeren we er toch lustig op los: jij hebt bijvoorbeeld een ander beeld bij het woord ‘schoonmoeder’ dan ik. Mijn schoonmoeder is een schat van een vrouw die altijd klaar staat voor anderen, terwijl je met jouw schoonmoeder misschien niet door één deur kan. Bij meer abstracte woorden als ‘liefde’ en ‘geluk’ denken we ook aan hele verschillende dingen, afhankelijk van de ervaringen die je koppelt aan deze woorden. Je mag dan wel de betekenis in een woordenboek kunnen vinden, maar de daadwerkelijke betekenis die een woord voor jou heeft is altijd afhankelijk van je herinneringen. En je hebt net kunnen lezen hoe gekleurd die herinneringen kunnen zijn.

Vanaf het moment dat je woorden hebt gevonden voor je gedachten, voelen je gedachten ‘echt’. De samengeraapte, willekeurige constructies in je hoofd brengen opeens een nieuwe waarheid tot leven, met jou als middelpunt. We denken dan dat het ‘de waarheid’ is, maar we beseffen niet hoe we die waarheid hebben ingekleurd met onze eigen schilderpalet.

Al die conclusies en aannames die je doet om tot ‘de waarheid’ te komen noemen we ‘leren’. Iets dat je hebt geleerd is eigenlijk een conditionering: een sluiproute in je hersenen. Stel je voor dat je elke dag je hoofd moet breken over dezelfde vraagstukken omdat je niet in staat bent die korte routes te nemen, dan zou je gek worden! Zo vorm je denkpatronen die je helpen met overleven. Het behoedt je voor het maken van dezelfde fouten.  Het geeft je een gevoel van zekerheid en veiligheid, want wat in het verleden al een aantal keer ‘waar’ was, zal in de toekomst ook wel ‘waar’ zijn. Zo is het hartstikke waar dat het pijn doet wanneer je je hand in het vuur houdt. Of dat je struikelt wanneer je vergeet je voeten op te tillen als je loopt. Dat vinden we logisch. Alleen diezelfde korte routes passen we ook toe op ons zelfbeeld. Die ingekleurde waarheden creëer je ook over jezelf. ‘Ik ben een sloddervos’, ‘ik ben een pessimist’, of ‘ik ben vrijgevig’, je kent vast de omschrijvingen die je jezelf geeft. Grote kans dat elke keer dat iemand je wijst op de rommel die je achterlaat, je die ervaring onderbrengt als een ‘zie je wel’-constructie in het archiefmapje ‘Ik ben een sloddervos’. Die verschillende archiefmapjes vormen niet alleen de bouwstenen van wie je denkt te zijn, maar ze bepalen ook hoe je je werkelijkheid nu, straks en zelfs met terugwerkende kracht ervaart. De schrijver van de Ollie B. Bommel-reeks, Marten Toonder, heeft dat ooit eens prachtig verwoord toen hij probeerde uit te leggen waarom hij nooit een autobiografie wilde schrijven: ‘Want iets wat in de jeugd gebeurd is, is dikwijls het gevolg van een voorval op latere leeftijd.’ Oftewel: iets wat nu gebeurt kan je jeugdherinneringen achteraf alsnog beïnvloeden.

Die ik-verhalen krijgen voor jou pas écht bestaansrecht wanneer je ze toetst bij anderen. In Zulu bestaat de uitdrukking ‘Umuntu ngumuntu ngabantu’, wat zoveel betekent als ‘een persoon is een persoon door andere personen’. Je bent dus pas een ‘ik’ wanneer anderen dat aan jou bevestigen. Dat gebeurt door jezelf te vergelijken met anderen, of wanneer anderen het zelfbeeld dat je al hebt bevestigen of ontkennen. Door te vergelijken en spiegelen bepaal je je relatieve positie die je denkt in te nemen in de groep. Hoe meer mensen je ‘ik-verhaal’ bevestigen, des te zekerder je wordt van jezelf en waar je staat. Je bent eigenlijk net een GPS-systeem: je vermeende positie in de wereld wordt bepaald met behulp de relatieve positie die je inneemt ten opzichte van minimaal drie satellieten in het luchtruim. Hoe meer satellieten je relatieve positie vaststellen, hoe nauwkeuriger je positieberekening is. Dus des te eerder je zegt: ‘Zie je wel!’

Dus hoe waar is het wanneer je denkt dat je een sloddervos bent? Waarschijnlijk is het antwoord: ‘zo waar als je denkt’.

Volgen
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *